Position paper Wet toelating terbeschikkingsstelling van arbeidskrachten (Wtta)

Sinds 2021 is de NBBU als sociale partner inhoudelijk nauw betrokken bij de totstandkoming van het wetsvoorstel. We staan achter de introductie van het toelatingsstelsel, maar hebben een aantal specifieke zorgen.
Allereerst willen wij benadrukken dat intermediairs een grote meerwaarde hebben voor de arbeidsmarkt. In een krappe arbeidsmarkt zoals de huidige leveren zij de schaars beschikbare capaciteit waar organisaties om vragen en zorgen voor noodzakelijke mobiliteit op de arbeidsmarkt. Allerlei doelgroepen, waaronder onbenut arbeidspotentieel, krijgen de kans te werken dankzij de expertise en het netwerk van intermediairs. Deze meerwaarde wordt in de maatschappelijke dialoog steeds meer uit het oog verloren door de nadruk die gelegd wordt op het oplossen van misstanden rond arbeidsmigranten.
Het toelatingsstelsel waarin de Wtta voorziet, dient ook de meerwaarde van bonafide uitleners te faciliteren. In deze position paper staan we als NBBU stil bij de meerwaarde die wij zien in het toelatingsstelsel en lichten we toe waar onze zorgen zitten.
1. Meerwaarde van het toelatingsstelsel
De NBBU is van mening dat de meerwaarde van het toelatingsstelsel vooral zit in:
- Het transparant worden van de uitleenmarkt door inzichtelijk te maken wie actief is met TBA-activiteiten;
- De introductie van een instrument om personen en/of ondernemingen (preventief) de toegang tot de uitleenmarkt te ontnemen indien daar gegronde redenen voor zijn;
- De handvatten die de VOG Rechtspersonen en wet Bibob bieden voor een persoonsgerichte aanpak van malafide personen;
- Verbeterde handhaving door de NLA middels meer capaciteit, betere gegevensuitwisseling en samenwerking tussen publiek en private partijen;
- Een grotere verantwoordelijkheid voor inlenende partijen binnen de driehoeksrelatie.
2. Zorg over de effectiviteit: helpt dit stelsel in de strijd tegen malafiditeit?
Aanpak van malafiditeit valt of staat met daadkrachtige handhaving en instrumenten om personen en/ of ondernemingen aan te pakken. Zonder handhaving hebben alleen bonafide uitleners – het overgrote deel van de markt – te maken met de verplichtingen en hoge kosten van deze wet. Als malafide partijen ondanks het toelatingsstelsel actief blijven, is deze wet niet effectief. Zowel de Raad van State als het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft dit meermaals benadrukt: zonder stevige handhaving mist een stelsel niet alleen effect, maar verliest het ook het vertrouwen in het stelsel. Zie ook punt 6, het belang van een goede evaluatie over de effectiviteit.
3. Zorg over de kosten: betaalbaarheid van het stelsel is onzeker
Naar schatting worden 15.000 uitleners toelatingsplichtig. Rechtszekerheid voor deze duizenden bedrijven vereist een zorgvuldige besluitvorming door de Toelatende Instantie (TI). Tegelijkertijd wordt het bijbehorende prijskaartje van de TI steeds hoger, rekening houdend met onder andere complexe dossiers en de mogelijkheden van bezwaar en beroep. Waar in de Memorie van Toelichting in de paragraaf Regeldruk nog wordt uitgegaan van een verdubbeling van de leges ten opzichte van het huidige vrijwillige SNA-certificaat (245 euro), wordt er in het ambtelijk concept rekenmodel, in het meest gunstige scenario, al gerekend met gemiddelde leges van 2000 euro, een verachtvoudiging.
De minister stelt dat bij de uitlener niet meer kosten in rekening mogen worden gebracht dan die worden gemaakt voor de uitvoering van het stelsel. Dit stelt niet gerust als de uitvoering van het stelsel gepaard gaat met enorme kosten die vervolgens bij de markt in rekening worden gebracht. Zie ook het rapport Verkenning landingsplaats TI waarin rekening wordt gehouden met meer dan 200 medewerkers tijdens de start van de TI en het toelatingsstelsel.
Naast de leges maakt de uitlener kosten voor de periodieke controle door de private inspectie-instellingen. Deze controle duurt qua inspectietijd minimaal twee tot drie dagen per controle (een verdubbeling tot verdriedubbeling ten opzichte van het huidige vrijwillige SNA-certificaat). De beoogde inspectiefrequentie is twee keer per jaar en vergt bovendien de nodige voorbereidingstijd van de uitlener.
Als klap op de vuurpijl wordt een waarborgsom van 100.000 euro vereist. Als 10.000 bedrijven dit storten, betekent dit al een miljard euro aan dood geld. Geld dat gedurende vier jaar -zonder rente- bij de overheid moet worden geparkeerd. Als NBBU zijn we tegen een dergelijke drempel, die voor de bonafide (MKB) ondernemer een hogere drempel vormt dan voor de malafide ondernemer. Ook wordt innovatie in de sector hierdoor tegengegaan.
Als sector kunnen we geen blanco cheque afgeven voor de uitvoering van dit stelsel. Wij willen malafide praktijken tegengaan, maar betaalbaarheid is een vereiste om draagvlak te behouden. Zowel in het advies van de Raad van State als in het advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk worden zorgen geuit over de hoge kosten en regeldruk voor de sector.
4. Zorgen over uitbreiding van het normenkader
Belangrijk onderdeel van het toelatingsstelsel is dat uitleners periodiek gecontroleerd worden op het normenkader door private inspectie-instellingen. Let wel, deze periodieke controles bestrijden op zichzelf geen malafiditeit, maar zullen vooral leiden tot meer professionaliteit bij uitleners. Dit onderdeel betreft een conformiteitsbeoordeling en is geen handhaving.
Het normenkader is nu al omvangrijk, het bestaat uit meer dan 100 normeisen. Het is tot stand gekomen na lang en intensief overleg met betrokken partijen. Voor uitleners is het inregelen van hun administratie – zodanig dat het voldoet aan het normenkader – enorm arbeidsintensief. De NBBU hecht er daarom aan dat dit normenkader intact blijft en niet wordt uitgebreid.
Uitbreiding van het normenkader betekent bovendien een toename van de complexiteit voor de uitvoering door de TI, de inspectietijd en de daarmee gepaard gaande kostenstijging. Het draagvlak van de sector neemt daarmee af. Draagvlak is essentieel, omdat de markt dit ingrijpende stelsel zelf moet bekostigen en uitvoeren.
5. Zorgen over de rechtszekerheid van de ondernemer
De minister geeft aan te hechten aan een zorgvuldige besluitvorming, maar houdt ook rekening met opstartproblemen. De ondernemer mag in geen geval de dupe worden van (opstart)problemen die hem niet te verwijten zijn, zoals gebrek aan capaciteit bij de inspectie-instellingen of interpretatievraagstukken bij de TI waardoor termijnen niet worden gehaald.
De NBBU vindt het belangrijk om in dit kader te signaleren dat een besluit van de TI geen schorsende werking heeft. Dit betekent dat als een uitlener bezwaar en beroep aantekent, het besluit van de TI gedurende de bezwaarprocedure blijft staan. Een dergelijke procedure kan over het algemeen lang duren. Voor een uitlener die gedurende deze periode (tijdelijk) moet stoppen met zijn bedrijfsactiviteiten heeft dit grote negatieve gevolgen, als achteraf blijkt dat zijn bezwaar terecht was.
6. Belang van monitoring en evalueren
De NBBU benadrukt het belang van een goede evaluatie om de effectiviteit van het toelatingsstelsel met betrekking tot de strijd tegen malafiditeit achteraf vast te stellen.
Daarnaast mist de NBBU cijfers over en een analyse van het fenomeen malafiditeit, waaronder het vluchtig malafide ondernemerschap. Deze zijn nodig voor de effectieve aanpak ervan.
Experts op dit onderwerp